Tekst - Pedro Bakker

Een filosofie van getekende erotiek


WAAR DE FILOSOOF DODE TAAL SPREEKT, DAAR KRABBELT DE TEKENAAR STILLE EROTIEK OP PAPIER

Situering van het onderzoek in de dicipline en het veld van artistiek onderzoek.

De Franse schrijver Georges Bataille schreef in L’expérience intérieure over ervaringen die moeilijk met woorden uit te drukken zijn. Ik zou een filosofisch proefschrift willen schrijven om die intensieve ervaringen, die buiten het discursieve vallen, te traceren. Ik zou gehoor willen geven aan de oproep van Bataille die hij deed tot zijn toehoorders in zijn lezing op het Collège Philosophique in 1955. Hij vroeg om een “certain extravagant bohemianism of thought”. Ik wil een poging wagen me daaraan over te geven. De titel van Batailles lezing was: “Heiligheid, erotiek en eenzaamheid”. Erotiek is een eenzame bezigheid en in zijn tijd omgeven door taboes. De filosoof kan spreken over zijn eigen gevoelens, maar de erotische ervaring maant ons tot zwijgzaamheid. Erotiek is een extreme ervaring en Bataille voegt daar de ervaring van heiligheid aan toe. De heilige leeft alsof hij aan het sterven is en dat om het eeuwige leven te bereiken. Verder wijst hij op de toen nog weinig geaccepteerde onderzoeken van de etnograaf Marcel Mauss naar de offerrituelen van Indianen in Noordwest Amerika. Die vinden buiten werktijd op heilige tijden plaats waarbij zowel het taboe op sexuele losbandigheid als het taboe op moord wordt overschreden.

Bataille stelt vast dat de filosofie steeds meer zoals de andere wetenschappen een gespecialiseerde discipline aan het worden is. De hedendaagse filosofie laat de ervaring toe, maar hoe kan een filosoof daarover schrijven als hij meer studeert dan leeft! De filosoof die zich wijdt aan moord en erotiek is daarom gedoemd te mislukken. Om de onmiddellijke ervaring toe te laten zou Bataille het liefst voor zijn luisterend publiek gehoor willen geven aan een gril of plots opkomende begeerte, maar dan is de lezing weg. Wanneer mij dergelijke grillen overkomen ben ik meestal in de buurt van mijn atelier, want daar kan ik me als tekenaar terugtrekken om in stilte een krabbel op papier te zetten. Op die plek sta ik open voor de zotte invallen waarover Bataille spreekt. Heb ik als kunstenaar wel toegang tot die extreme ervaringen van moord en erotiek?

Het zijn precies die plotseling opkomende, onberedeneerde gedachten of voorstellingen, die Bataille het filosofisch geschoolde publiek voorhoudt en die het me als kunstenaar lastig maken om een gedisciplineerd plan te schrijven voor een promotieonderzoek in een fasering van 4 jaar. Dat druist in tegen de wetten van de kunstenaarspraktijk en is volledig in tegenspraak met Batailles visie. Om een voorbeeld te noemen uit mijn praktijk: een paar jaar geleden bezocht de schilder Gijs Frieling, als tutor in het kader van mijn MA Artistic Research, mijn studio in Amsterdam en door zijn invloed ben ik tekeningen gaan maken die een extreme ervaring uit mijn jeugd verbeelden. Dit voltrok zich in een lange werkperiode waarvoor ik eigenlijk andere plannen had. Het is blijkbaar moeilijk vooruit te kijken in de kunst!

In die Amsterdamse studio, een voormalige hoerenkast in een deprimerende omgeving, had ik toegang tot mijn traumatische ervaringen uit mijn jeugd omdat ik die in volledige afzondering kon tekenen zonder dat ik daarover met anderen hoefde te praten. Geen moment heb ik het gebeuren benoemd, ook naar Gijs toe was dat niet nodig. Toen hij Burnt Home 7 voor het eerst zag, zei hij eigenlijk precies wat de tekening verbeeldt. Later bleek dat de tekening niet direct mededeelzaam is over het werkelijke karakter van het biografisch gebeuren, want op de tekening wordt heel verschillend gereageerd. In een brief, die mijn zus me schreef nadat ze de tekening op de uitnodigingskaart van mijn tentoonstelling in New York had gezien, staat heel letterlijk wat mijn moeder deed om m’n kleine broertje te doden. Hoewel het hoogst ongemakkelijk leest is de daad eenvoudig te benoemen, want mijn moeder kreeg er TBS voor. Ook had ik al eerder voor m’n tentoonstelling in New York, op verzoek van m’n galeriehouder, een tekstje geschreven. Bij mijn tekening schreef ik het volgende: “Toen ik als zeventienjarige in de keuken zat te schilderen hoorde ik de ware toedracht: Mijn moeder een moordenaar! Tot op heden veroorzaakt dat eindeloze ruzies met broer en zus (op “Burnt Home 7” zijn mijn zus en broer afgebeeld), die ik uit de weg ga en niet meer zie. De tekeningen van Darger hielpen me om de ‘wurgscène’ uit te beelden.” De titel van mijn tekst was “Een ongecensureerd praatje”, die sommige bezoekers op de opening gretig lazen. Maar zonder tekst bleek de tekening op velerlei wijze te interpreteren en dat voelde lekker aan want ik had met de tekening een gebeuren opgerakeld waarvan ik zelf ook niet wist wat waar is en niet waar is.

Beschrijving van de beoogde resultaten (proefschrift en artistiek eindproduct)

Moord of geen moord, ik wil geen ethisch oordeel over m’n moeder vellen, ik vereer haar en dat wil ik zo houden. Door het beoefenen van filosofie schep ik afstand tot die intieme gevoelens en kan ik op indirecte wijze wel ethisch over dit vraagstuk nadenken. In de bijbel staat het verhaal van Abrahams offer van Izaak dat in feite een verhaal is over een poging tot moord met voorbedachten rade, maar dat anders uitpakt. In plaats van Izaak mag Abraham van God een lam offeren. Volgens Bataille is een offer zonder Izaak geen offer meer, het is een val in de leegte, schrijft hij in L’expérience intérieure. Kierkegaard daarentegen spreekt in Fear and trembling van een paradox die een moord verandert in een heilige actie om God te plezieren. Kierkegaard wijkt terug voor de gevolgen van Abrahams liefde voor God bij wie Abraham de verantwoordelijkheid legt. Derrida veroordeelt deze dubieuze ethiek die, uit naam van God, tot moord op individuen en volkeren kan leiden. In het eerste hoofdstuk van mijn proefschrift wil ik dit vraagstuk uitwerken door de invloed van Kierkegaard op Bataille te onderzoeken en na te gaan wat voor ethiek Bataille erop na hield. In mijn moeder herken ik het wispelturig en onberedeneerde wezen dat aan haar opwellingen gehoor gaf en in dat opzicht had ze naadloos aangesloten bij de grillen die Bataille in zijn lezing opwaardeerde. Plotseling opkomende aanvallen van woede of angst waren haar niet vreemd en met dit karakter sloot ze aan bij de medebewoners van de psychiatrische inrichting waar ze verbleef, ook al vond ik als kind dat “lieve mamma” daar helemaal niet thuishoorde. Vanuit dit perspectief heb ik met de kunstenaar Pietsjanke Fokkema een samenwerkingsproject voor ogen, waarvan het wonen in het kunstenaarsverblijf “Vijfde-Seizoen” van de psychiatrische inrichting Altrecht deel uitmaakt. Hoewel ik een depressief makende afweer voel om de psychiatrische geschiedenis van mijn moeder op te roepen, kan ik me wel vrolijk maken om het project dat ik zou willen uitvoeren en waarmee ik het promotietraject wil starten. De titel van mijn plan luidt “Lachen om Hegel”. In mijn ‘filosofenkostuum’ (te zien op m’n recente ‘New York tekening’) wil ik het lachen om Hegel verbeelden. Lisa Trahair wijdt in haar boek The comedy of philosophy een hoofdstuk aan Batailles filosofie van het lachen dat neerkomt op “Bataille’s laughter at Hegel’s phenomenology”. Lachen om een boek vind ik niet beeldend, maar wat is er mooier dan om te lachen om de aanblik van de filosoof Hegel. Is het normaal is om te lachen om een geniaal filosoof en in de slappe lach te schieten? Dit doet aan een psychose denken, waarbij een niet bij een situatie passende emotie geuit wordt zoals lachen bij een begrafenis. Het verblijf in het “Vijfde-seizoen” lijkt me een uitstekende omgeving om de lachende en huilende grimassen van de bewoners te bestuderen en te tekenen. Indirect kan ik me in de psychiatrische geschiedenis van mijn moeder verdiepen. In het verleden heb ik me juist aan het beeld van ‘de rationele filosoof’ vastgeklampt om me uit het moeras van het zeer gevoelige familiedrama te kunnen trekken. Via deze omweg van het verstand zou ik nu inspiratie willen zoeken in de psychose om omgekeerd het verstand uit zijn evenwicht te halen en het te verstoren. Volgens mij zijn de bewoners van het “Vijfde-seizoen” daar meesters in.

Het lijkt me bevrijdend en confronterend tegelijk om zo’n lachbui te kunnen tekenen en ik zie dat tegelijk als een reactie op het huilwerk “I’m too sad to tell you” waarin de Nederlandse kunstenaar Bas Jan Ader in snikken uitbarstte. Dit korte filmpje heb ik grenzeloos bewonderd, mede omdat ik zelf niet kan huilen. Van de te tekenen, lachende, zelfportretten wil ik een animatiefilmpje maken, zodat mijn kop langzaam in de lach schiet naast de kop van Hegel. Tegenover het type van Ader, die wel iets heeft van Christus, de Man van Smarten, die het lijden van de wereld op zich neemt wil ik de dionysische lach van Nietzsche verbeelden, die het leven omarmt en uitzinnig celebreert. Na dit experiment in de praktijk wil ik studie maken van de invloed die Nietzsche had op Batailles filosofie van het lachen. Dit zou het onderwerp van hoofdstuk 2 van mijn proefschrift kunnen zijn.

Het artistieke eindproduct zal bestaan uit de voortzetting van mijn recente serie Ma Mère et Georges B. waaraan ik een nieuw hoofdstuk wil toevoegen. Noodzakelijk hiervoor is dat ik de gestalte van “Georges B.” en van “Ma Mère” verder uitwerk. Ik wil meer greep krijgen op hun gezichtsuitdrukkingen en ik beschouw mijn serie ‘lachende zelfportretten’ als een voorstudie. Het is te overwegen om ook van “Georges B.” en van “Ma Mère” een korte animatie te maken. Wat beeldmateriaal betreft wil ik op zoek gaan in de archieven van Bataille en Laure (Bibliotheque-Nationale, Paris). Ik wil me laten inspireren door hun relatie die van korte duur was. Zij, Colette Peignot, stierf in 1938 en Bataille creëerde daarna het literaire fenomeen Laure. In het hoofdbestandeel van mijn proefschrift zal ik me toeleggen op de studie van zowel de filosofische als literaire werken die Bataille na de dood van Laure schreef tot aan 1943, waaronder La Somme athéologique.

Beknopte beschrijving van de artistieke en theoretische uitgangspunten, hypothesen en vraagstellingen.

Op het gebouw de Teekenschool bij het Rijksmuseum is het volgende opschrift te lezen: “Teekenen is spreken en schrijven tegelijk”. Zomer 2011 is deze uitspraak weer actueel geworden: er zal in de toekomst op de Teekenschool naar model getekend worden en inmiddels heeft dat in kunstcentrum De Appel plaatsgevonden. De beeldspraak suggereert dat een getalenteerde tekenaar het zonder spreken en schrijven kan stellen. Een excellente tekenaar was Peter Vos en zijn hoofd zat altijd vol dichtregels. Uit een drie uur durend Marathoninterview met hem meen ik op te maken dat mijn werkwijze lijkt op die van Vos. Hij zegt een vak te hebben geleerd op de Rijksakademie in de vijftiger jaren. Dat heb ik niet, maar wat in het interview opvalt is dat hij het niet zonder de geschreven taal van een ander, meestal van een bekende schrijver, kon stellen. De boeken die hij heeft geïllustreerd las hij vaak tot twee maal toe. Ik doe niet aan illustreren, maar ik ben in mijn beeldend werk evenzo afhankelijk van de geschreven taal van anderen en momenteel in het bijzonder van de boeken van Bataille. Voor Peter Vos was tekenen duidelijk iets anders dan het schrijven. Voor hem was het allerbelangrijkste of een tekening gelukt was. Hij ging er prat op geen dekwit te gebruiken om een tekening te corrigeren. Hij gooide een tekening weg en begon opnieuw! Dit soort principes heb ik ook en hierin lijkt mijn werkwijze op die van Vos. Het doet er niet toe wat je te zeggen hebt over een tekening, van belang is slechts wat je hebt getekend en dat kun je zien. Tekenen is geen spreken en ik vraag me dan ook af wat het opschrift op de Teekenschool te betekenen heeft want ik neig tot de tegenovergestelde opvatting. Mijn claim is dat tekenen geen spreken en schrijven tegelijk is ofwel in mijn geval wil ik stellen dat het tekenen geen filosofische spreken is en ook geen filosofisch schrijven, laat staan beiden tegelijk. Wanneer ik een lezing geef doe ik aan filosofisch spreken en schrijf ik een proefschrift dan doe ik aan filosofisch schrijven.

In het interview zei Vos verder niets over het wezen van de kunst. Ik voel me daarentegen wel verwant met conceptuele kunstenaars vanwege hun gedachtegoed. Een zuiver conceptuele gedachte schreef Joseph Kosuth op in zijn geschrift “On art (Über Kunst)”. De conceptuele kunst concentreert zich op het gezegde naar het voorbeeld van de twintigste eeuwse taal-analytische filosofen. Omdat een kunstenaar zegt dat dit specifieke voorwerp tegelijkertijd een kunstwerk is, is het a priori waar dat het kunst is. In tegenstelling tot Kosuth sluit ik aan bij de traditionele, continentale filosofie die zich met het niet-gezegde bezig hield. In zijn hierboven besproken lezing wees Bataille op de ervaring van intense emoties. Aan dit type ervaringen die nauwelijks zegbaar zijn raakt Bataille in L’experience intérieur door puntjes te gebruiken. Hij laat een leegte daar waar heterogene ervaringen niet in de homogene taal uit te drukken zijn. Heeft de tekenaar wel toegang tot die heterogene ervaringen? Kan een tekenaar ‘het ongezegde’ uitdrukken in zijn tekeningen? Als ik deze vraag met ja kan beantwoorden, dan is de ontologische status van de tekening essentieel. Door studie van Der Ursprung des Kunstwerkes van de Duitse filosoof Martin Heidegger zal ik die status in de grond verstaan.

De methode waarbij de relatie wordt gelegd tussen de artistieke en discursieve resultaten van het onderzoek.

Met een nieuwe werk start ik vanuit een concept om het te situeren in een context. Dit biedt een kader om in te werken, maar meer ook niet. Ik moet de tekening aan het werk zetten om dat ‘iets’ dat zich aan het discursieve ontrekt te maken. Het spreekt vanzelf dat ik tijdens het werkproces opensta voor allerlei invallen en associaties. Uiteindelijk levert dat een autonoom kunstwerk op. Mijn aanvankelijk concept moet ik dan bijstellen, maar dat staat los van de tekening. Wanneer ik vervolgens tot een discursief resultaat wil komen in reflectie en theorie dan relateer ik dat aan het bijgestelde, discursieve concept en nooit aan de tekening zelf. De tekening is af, maar het concept van de tekening is aan verandering onderhevig.

Een beschrijving van de stappen die al gezet werden ter voorbereiding van het promotieonderzoek.

In 2008, alvorens mijn studie aan de Universiteit van Amsterdam begon, maakte ik mijn eerste tekening met de titel Ma Mère et Georges B. op een a-viertje met pen, inkt en kleurpotlood. Mijn Master Artistic Research behaalde ik met de scriptie De soeverein Darger, die beoordeeld werd met het cijfer 8.5. In die scriptie zet ik de theorieën van Georges Bataille uiteen aan de hand van leven en werk van de Amerikaan Henry Darger. In 2011 tekende ik het eerste hoofdstuk van Ma Mère et Georges B. getiteld L’éternel retour(1943), dat uit 9 grote gekleurde tekeningen bestaat.